De periode 1948 – 1963

Gezinshereniging
Na een jaar of drie, vier kwamen de meeste collaborateurs vrij. Sommigen echter verbleven langer ( tien jaar of meer) in de interneringskampen. Zij behoorden tot de kaderleden of zij hadden gediend bij de SS. De tijd in het kamp werd door de meesten als frustrerend ervaren. Een aantal voelde zich vernederd en koesterde wrok ten opzichte van de Nederlandse samenleving. Anderen waren gebroken en gedemoraliseerd, sommigen hadden spijt van hun politieke keuze.

Zij waren in veel opzichten nog zo met hun eigen ervaringen bezig dat zij weinig oog hadden voor wat hun partner en kinderen hadden meegemaakt. Het was voor velen moeilijk om de ouderrol weer op zich te nemen. Huwelijken hadden geleden onder de lange scheiding, ouders en kinderen en ook de kinderen onderling waren van elkaar vervreemd. Daardoor was het moeilijk om een nieuwe start met elkaar te maken.

De gezinsleden hadden vaak heel verschillende gebeurtenissen meegemaakt, maar zelfs als zij als gezin steeds bij elkaar gebleven waren, zoals Yvonne meldt, reageerden zij daarop op verschillende wijze, afhankelijk van leeftijd en karakter. De gezinshereniging verliep stroef en de opgekropte gevoelens ontlaadden zich in ruzies of agressie. Weer anderen reageerden met vluchtgedrag.

Doordat de ouders veel energie nodig hadden voor het verwerken van de eigen problemen konden zij maar weinig aandacht en warmte aan hun kinderen geven, en hen zeker geen gevoel van veiligheid bieden. Kleine kinderen kregen op die manier geen stevige basis.

De frustratie en teleurstelling van de ouders uitte zich soms in onverwacht gedrag, zoals woedeaanvallen. Kinderen werden onzeker, bang voor een nieuwe uitbarsting en deden er alles aan om die te voorkomen. Zij gingen hun ouders ontzien en werden ‘brave’ kinderen. Vaak namen zij aan dat zij zelf de aanleiding waren en voelden zich schuldig.

De door de grotere kinderen met vreugde verwachte gezinshereniging was voor velen een grote teleurstelling. Voor de kleinere kinderen betekende het dat zij ineens een vader of moeder in huis kregen die ‘onbekend’ voor hen was. Weliswaar waren zij misschien mee op bezoek in de kampen geweest, maar die ‘vreemde’ man of mevrouw was niet in verband met de eigen familie gebracht.

‘De oorlog’ is taboe
Over de oorlog werd meestal niet meer gesproken. De kinderen konden hun ervaringen niet vertellen en de emoties over wat ze meegemaakt hadden, niet kwijt. Dit leidde soms tot nervositeit of slaapproblemen.

Als er wel over de oorlog gesproken werd, kwam meestal alleen het verhaal van de verbitterde ouders aan de beurt. Kinderen kregen de indruk, dat wat zij hadden meegemaakt, niet belangrijk was en dat zij zelf dus ook niet belangrijk waren.

Voor de na-de-oorlog geboren kinderen probeerde men het foute verleden te verzwijgen. Het ‘geheim’ was alleen bij de ouders en de oudere kinderen bekend. De kleinsten vermoedden dat er ‘iets ‘ was, maar wisten niet wat. Zij voelden zich buitengesloten, omdat de rest kennelijk iets met elkaar deelde, waar zij geen deel aan hadden. Zo ontstond vervreemding binnen het eigen gezin.

De rolverdeling binnen het gezin moest soms opnieuw bepaald worden. Yvonne zegt daarover: ‘Mijn moeder was door alles wat ze meegemaakt had en zelfstandig had moeten oplossen ‘geestelijk gegroeid’. Mijn vader zei wel eens dat hij zijn lieve Lientje kwijt geraakt was.’ In veel gezinnen nam de vader de rol van hoofd van het gezin weer op zich en schoof de moeder die zich en haar gezin al die tijd, vaak met succes, had moeten zien te redden, eenvoudig aan de kant. Voor Hanna was dit onverteerbaar en zij heeft het haar vader altijd kwalijk genomen.

Bovendien stonden de huwelijken waarin de ene partner het niet eens was geweest met de politieke keuze van de ander, onder spanning. Dit leidde in een aantal gevallen tot huwelijksontbinding. En als de ouders wel bij elkaar bleven, bleef de onenigheid altijd een barrière tussen hen, die door de kinderen feilloos werd aangevoeld.

Loyaliteitsconflict
(Oudere) kinderen die het met de politieke stellingname van de ouder(s) niet eens waren, belandden vaak in een loyaliteitsconflict, vooral als de emotionele relatie met die ouder goed was. Een aantal nam zelfs de schuld als het ware plaatsvervangend over, wanneer de ouders niet in staat waren hun verantwoordelijkheid voor hun keuze te nemen en ze zich alleen maar verbitterd toonden over de hun opgelegde straf. Zeker toen bleek wat er in de holocaust gebeurd was, gingen een aantal lotgenoten zich verbijsterd afvragen wat hun ouders daarvan geweten hadden en of zij er zelf een rol in hadden gespeeld. Daaraan gekoppeld de vraag of zijzelf ook tot dergelijk gedrag in staat zouden zijn.

Margreet zegt hierover: ‘Ik heb heel fijne en goede ouders gehad, maar het feit dat zij geweten hebben van de Jodenvervolging, is iets wat voor mij nog steeds onverenigbaar is met mijn ouders. En beangstigend! Ik voel me er schuldig en beschaamd over.’

Sommigen voelden een duidelijke rancune over wat de ouders door hun politieke keuze niet alleen in hun eigen leven, maar ook in dat van anderen had aangericht. Weer anderen, zoals Yvonne, voelen die rancune niet: ‘Ik ben juist dankbaar voor wat zij nog voor ons gedaan hebben in hun kommervolle omstandigheden na de oorlog!’

De kinderen die lid waren geweest van de Jeugdstorm, schaamden zich daar vaak over, omdat zij onbewust betrokken waren bij een vernietigende ideologie. De leuke herinneringen aan de activiteiten als kampvuur en speurtochten moesten ‘onderduiken’.

Verhouding met familie en buren
De relatie met de rest van de familie voor zover deze niet gecollaboreerd had, bleef vaak problematisch. Kinderen misten de spontaniteit in de relaties met grootouders, ooms en tantes en nichtjes en neefjes. Sommige familieleden verbraken het contact definitief. Soms werd men door enkele familieleden financieel gesteund. Dit gaf een afhankelijkheid waarmee beide zijden soms moeilijk konden omgaan. Inwoning bij familie, wat door de woningnood niet ongebruikelijk was, veroorzaakte in het geval van de ex-gedetineerden vaak spanningen. Men voelde zich gedoogd, niet van harte welkom. De familie wilde niet op het politieke verleden van de inwonende aangekeken worden.

De relatie met buren en vrienden stond vaak onder spanning. Bij verenigingen en sociale activiteiten waren de gezinnen van ex-politieke gevangenen vaak niet welkom. Willy zegt daarover: ‘Ik mocht met een ouder buurmeisje het kerstfeest vieren in de Nederlands Hervormde kerk in ons dorp. De kerkdeur werd voor mij dicht gedaan – ik was 4 jaar.[] Ik probeerde het ook bij de meisjesvereniging (van de Ned. Herv. kerk). Mijn aanwezigheid was van korte duur. De leidster van de zondagsschool was ook de leidster van de meisjesvereniging. Ze kwam uit een anti-NSB-gezin. Een (oudere) broer van de leidster was bevriend met mijn broer. Opeens was de vriendschap over. Ook bij de gymvereniging was mijn aanwezigheid van korte duur, vanwege pesterijen.’

Iedere keer afgewezen te worden, was voor Willy des te erger, omdat zij door haar ouders gestimuleerd werd om buitenshuis actief te zijn. Van velen is bekend, dat de ouders zichzelf en hun kinderen bij voorbaat isoleerden om te voorkomen dat anderen hen zouden uitsluiten. Daarbij speelde tevens de angst je aan een vereniging te verbinden een grote rol, omdat je nooit van te voren kan weten of lidmaatschap verkeerd kan uitpakken. Overigens hadden veel ouders eenvoudig ook het geld niet om de contributie voor een club te betalen.

Huisvesting
De woning waarin het gezin vroeger gewoond had, was aan anderen toegewezen of was geconfisqueerd. Gezien de algemene woningnood was het vinden van goede huisvesting een groot probleem. Soms werd gezinnen tijdelijk ondergebracht in scholen of kloosters. Gemeenten voerden vaak een actief discriminatiebeleid en wezen de gezinnen van de collaborateurs de minste woningen toe, soms behorend tot de categorie ‘onbewoonbaar verklaard’, zoals Berserk rapporteert. Yvonne zegt hierover: ‘Je werd gehuisvest naar wat je kon betalen. Aangezien dat niets was, kwam je dus ook in een buurt terecht, waar dat de norm was. Mijn vader werd daar de ‘professor’ genoemd.’

Een aantal gezinnen verhuisde doelbewust naar een andere buurt of naar een ander dorp in de hoop dat niemand daar ‘het’ wist en dat zij met rust gelaten zouden worden. Vaak was één verhuizing niet voldoende, omdat het nieuws hen al vooruit gereisd was. Aangezien er veel verhuizingen voorkwamen, was men in de buurt extra nieuwsgierig naar de (politieke) achtergrond van de nieuwkomers. Verhuizingen verhoogden het isolement, omdat nieuwe sociale contacten niet makkelijk gelegd werden, uit angst dat de buurt ‘het’ toch te weten zou komen.

Gevolgen van de confiscaties
Huisraad – meubels, keukenuitrusting, bed- en linnengoed – was door de overheid geconfisqueerd. Wanbeheer door de medewerkers van het Beheers instituut kwam nogal eens voor. Een aantal officieren-fiscaal en Tribunalen legden als voorwaarde voor de vrijlating op dat men formeel afstand deed van de geconfisqueerde goederen. Uit de voorraad van het Beheers instituut mochten de vrijgelatenen een boedel bij elkaar zoeken. Armoe troef.

Sommige ex-NSB’ers waren door familieleden uit hun testament geschrapt en erfenissen waar zij recht op hadden, is hen soms met succes onthouden.
Ook familiekapitaal was onder beheer gesteld en is in een groot aantal gevallen niet teruggegeven. De ex-politieke gevangenen waren al hun bezit kwijt en moesten starten vanuit het absolute nulpunt.

Romijn zegt hierover, dat ambtenaren van het Beheers instituut soms van mening waren dat hen ‘het economisch bestaan onmogelijk gemaakt moest worden.’ (2) Families moesten vaak een beroep doen op de Armenwet om het meest noodzakelijke aan huisraad en kleding te kunnen kopen.

Afhankelijkheid van de sociale dienst werd vaak als vernederend ervaren. Kinderen die hun ouders naar het kantoor vergezelden, merkten op hoe hun ouders afstandelijk en neerbuigend, soms zelfs vijandelijk werden behandeld. Vaak begrepen ze de reden niet. Het gaf hun wel het gevoel tot een ‘slechte’ familie te behoren.

Tine vertelt dat sommige gezinnen geen uitkering wensten en liever zelf hard werkte om aan de kost te komen dan de hand te moeten ophouden bij een overheid die henzelf in deze financiële afhankelijkheid had gebracht.

Voor de kinderen bracht dit grote veranderingen met zich mee. Eigen vertrouwde spullen waren verdwenen, ze woonden in een nieuwe buurt en moesten zien in te burgeren. Ze moesten naar een nieuwe school. De ontworteling ten gevolge van de oorlogsgebeurtenissen werd hierdoor verdiept.

De kinderen van collaborateurs hadden vaak door de oorlog leerachterstand opgelopen. Voor een vervolgopleiding was veelal geen geld en de oudere kinderen moesten een baantje zoeken om een financiële bijdrage aan het gezin te leveren. De confiscaties hebben de oudere kinderen studiekansen en ontplooiingskansen ontnomen, wat later tot frustraties en rouw om gemiste kansen heeft geleid. Daardoor is waarschijnlijk veel talent verloren gegaan.

Toen de jongere kinderen aan een vervolgopleiding toe waren, was de financiële situatie van het gezin vaak al wat verbeterd, hoewel ook zij soms met een goedkopere opleiding – vaak van lager niveau dan hun capaciteiten – genoegen moesten nemen.

De Stichting Toezicht Politieke Delinquenten bezocht de families om er op toe te zien dat men zich maatschappelijk weer zou aanpassen. Er werd soms in de buurt naar het gedrag van het gezin geïnformeerd. Dit werd als zeer vernederend ervaren. De sfeer tijdens het bezoek van de voogd was vaak zeer geladen en kinderen voelden dat wel aan, maar wisten vaak niet waardoor die zo geladen was.

Voor de teruggekeerde politieke delinquenten was het meestal moeilijk om werk te vinden. Bedrijfsleiding nam niet graag ‘landverraders’ in dienst, al was het maar met het oog op de andere werknemers. Toen de vraag naar arbeidskrachten in de wederopbouwperiode toenam, stegen ook de kansen voor de ex-collaborateurs om werk te vinden. De tijd dat zij werkeloos thuis zaten en vaak de ene afwijzing na de andere kregen, veroorzaakte veel spanning in de gezinnen.

Het werk dat men vond was vaak van een niveau dat minder sociale status met zich meebracht dan men voor de oorlog gewend was. Yvonne zegt hierover: ‘Mijn vader heeft nooit zijn werk teruggekregen (hij was in 1947 toen hij uit gevangenschap terugkeerde 50 jaar) en heeft na de oorlog altijd ver onder zijn niveau gewerkt. Maar hij heeft dat werk toch altijd met plezier gedaan, omdat hij het beter vond dan te ”stempelen”.’
Velen raakten evenwel gefrustreerd omdat zij onder hun niveau moesten werken en de sociale positie die zij in potentie hadden kunnen bereiken, voor hen onbereikbaar bleef.

Overheidsbetrekkingen bleven veelal voor hen gesloten, al zijn er uitzonderingen bekend. Lucia vertelt: ‘In de jaren ’50 was er een soort spoedopleiding voor onderwijzer. Mijn vader had die graag willen volgen, maar mocht (of durfde) niet vanwege zijn politieke achtergrond. Onderwijs betekende immers ‘ambtenaar zijn’ en dat verhield zich slecht met zijn foute keuze.’

Als op het werk bekend werd dat een nieuwe werknemer ‘fout’ was geweest, reageerden collega’s vaak met terughoudendheid of pesterijen. Vaak zat er niets anders op dan ander werk te vinden in de hoop dat daar het verleden onbekend zou blijven. Promotiekansen zaten er vaak niet in. ‘Die vent zal nooit carrière bij mij maken,’ zei de locatiedirecteur van Hanna’s vader, maar díens baas dacht er anders over en gaf de ex-collaborateur kansen om zich te ontplooien. Een gunstige uitzondering.

Ook kinderen van collaborateurs werden soms uit banen geweerd vanwege de keuze van hun ouders, zeker als het om (semi)-overheidsbetrekkingen ging.
Pia die jarenlang met plezier op een bedrijf gewerkt had, merkte bij haar afscheid dat er op haar dossier met grote letters NSB stond. Zij had weliswaar nooit gemerkt dat men haar anders behandelde, maar het feit dat de politieke achtergrond – niet eens van haarzelf, maar van haar ouders! – vermeld stond, gaf haar een zeer onaangenaam gevoel. Aan het verleden viel kennelijk niet te ontkomen.

Tineke meldt het volgende voorval: ‘In 1962 wordt mijn echtgenoot Loods. Tijdens de keuring krijgt hij te horen dat hij boft: “Was je een jaar vroeger geweest, dan zou je afgekeurd zijn vanwege de politieke keuze [ voor de NSB] van de vader van je echtgenote.” Mijn man blij en komt me verheugd het bericht vertellen. Voor mij was het een klap in mijn gezicht.’ Kennelijk kon haar achtergrond voor haar man in 1962 een bedreiging zijn.

Verlies van staatsburgerschap
Bij hun veroordeling verloren de ex-collaborateurs hun staatsburgerschap voor tenminste tien jaar, voor sommigen was de termijn zelfs langer. Dat hield in dat zij geen stemrecht meer hadden. Lucia zegt hierover: ‘De onthouding van actief en passief stemrecht was voor mijn vader bepaald voor een duur van 15 jaar, dus tot 1960. Dit gebeurde natuurlijk in een tijd waarin je stemplicht had: iedereen moest gaan stemmen. [Ging je niet] dan was je daarmee natuurlijk echt een uitzondering.’

Het betekende ook dat men geen paspoort kreeg. Vertrek naar het buitenland, vaak geambieerd om van de stigmatisering in het vaderland af te zijn, was voor stateloze in feite onmogelijk. De ouders van Lucia hadden wel naar Canada willen emigreren, maar dat ging vanwege het verlies van het Nederlanderschap niet door. Eind 50’er jaren is een aantal collaborateursgezinnen geëmigreerd.

Reizen naar het buitenland was uiteraard ook onmogelijk. In de opbouwjaren viel dat nog niet zo op, omdat nog maar weinig Nederlanders zich de luxe van een buitenlandse reis konden veroorloven, later werd dat problematischer. Zeker voor degenen die al voor de oorlog regelmatig naar het buitenland gingen, was het moeilijk het niet-hebben van een paspoort te accepteren. Ook hier leed men statusverlies.

Klem tussen thuis en maatschappij
Op school werd bij de geschiedenislessen meestal veel aandacht besteed aan de Tweede Wereldoorlog. De verhalen gingen over de helden van het verzet, de unanieme verzetshouding van het Nederlandse volk en over de landverraders, een zwart-wit-tekening die in die tijd verklaarbaar is. Jongere kinderen van collaborateurs hoorden vaak nu pas waar die letters NSB, waar zoveel geheimzinnigs om heen hing, voor stonden en gingen beseffen, dat de eigen familiegeschiedenis hen aan de ‘foute’ kant plaatste. De toon van veroordeling, die ook te horen was bij herdenkingen, was voor hen overduidelijk. Veel lotgenoten betrokken dat oordeel op zichzelf en kregen zo het gevoel er eigenlijk niet te mogen zijn, er in elk geval niet bij te horen. Zij kregen het gevoel niet alleen vreemdeling, maar zelfs vijand te zijn van het Nederlandse volk. Sommigen voelden zich vanaf die tijd emotioneel stateloos.

Margreet vertelt: ‘Toen ik 6 jaar was [in 1953] ,moesten we op Koninginnedag met een oranje of rood-wit-blauw strikje op school komen en toen ik mijn moeder daar om vroeg, vertelde ze me dat ik dat niet mocht van haar, omdat mijn vader in het kamp had gezeten. Toen ik de volgende dag op school kwam, dacht de juffrouw dat ik mijn strikje vergeten was en spelde er eentje op. Ik durfde niet te zeggen dat ik het niet mocht van mijn moeder en thuis durfde ik niet te vertellen dat de juffrouw me er eentje opgespeld had. Het loyaliteitsconflict heb ik van jongs af aan gekend en ik heb er mijn hele leven (ook nu nog) mee geworsteld.’

Willy geeft ook een voorbeeld hoe kinderen vaak klem kwamen te zitten tussen thuis en de maatschappij: ‘Op de lagere school verlangde ik naar geschiedenislessen. De meester zou toch wel de waarheid vertellen. Dit bleek een grote teleurstelling, want ik kreeg alleen negatieve verhalen te horen. Als ik dit dan aan vader vertelde, zei hij glimlachend: “Ach, die meester weet er niets van.” Wie moest je nu geloven?’

Op school werden kinderen van ex-collaborateurs soms nog gepest. Zij fungeerden soms nog als de zondebok, zoals Willy vertelt: ‘Toen er op het schoolplein een vechtpartij was tussen andere kinderen, kwam er opeens een moeder van een vechtend kind naar mij toe. Ik kreeg de schuld, want mijn vader was NSB-er. Ik schrok vreselijk en schold haar uit, ik vloekte. De andere kinderen schrokken van mijn reactie, ik was een verlegen kind dat absoluut geen ruzies uitlokte.’ Zo’n assertieve reactie was voor haar ongewoon, meestal trok zij zich in zichzelf terug, zoals zoveel andere lotgenoten.

Veel lotgenoten voelden zich verward door wat de ‘maatschappij’ hen aandeed: de regelrechte pesterijen door de omgeving, het isolement, de (stilzwijgende) beschuldiging, buitengesloten te worden. Sommigen konden ook in die tijd al hun woede daarover voelen, de meesten verstopten het, wat later tot psychische problemen kon leiden.

Corry merkt hierover op: ‘Zelf ben ik van mening dat als de toenmalige regering (met name H.M. Koningin Wilhelmina) niet zo’n fanatieke opstelling had gebezigd over de ‘landverraders waar geen plaats meer voor was’, het allemaal wat milder [voor ons] was uitgepakt.’

Het geschonden gezin: geen hereniging; dood van gezinsleden
Sommige lotgenoten moesten een broer of vader missen die in de oorlog omgekomen waren of al snel na de oorlog aan verwondingen of ziekte (soms in het interneringskamp opgelopen) bezweken.

Tineke’s vader was in november 1944 door het verzet geliquideerd. Het militaire vertoon tijdens de begrafenis werd door haar als erg bedreigend ervaren en werkte bevreemdend. Hoewel haar moeder tegen de keuze van haar man geweest was, werd het gezin toch met de nek aangekeken. Het gezin hoorde nergens bij en leefde in een vacuüm. Haar leven lang is Tineke op zoek gebleven naar een vaderfiguur.

Sommige lotgenoten maakten nooit een gezinshereniging mee, omdat een van de ouders of allebei in Duitsland bleven of er na hun vrijlating naar terugkeerden. Zij bleven, zoals Lia bijvoorbeeld, tot hun volwassenheid in pleeggezinnen, al of niet tot de familie behorend. Hun leven stond voorgoed in het teken van de eenzaamheid, gevoed door vaak een onbewuste boosheid over het feit dat zij door hun ouders in de steek gelaten waren.


ARCHIEF

ZOEKEN

DutchFrenchGermanEnglish