In bijna alle herinneringen van kinderen van wordt verteld hoe lastig zij het hebben tijdens de nationale herinneringsdagen aan het begin van mei. De reden hiervan ligt voor de hand. Tijdens 4 en 5 mei lijkt het Nederlandse volk zich eensgezind samen te voegen en te rouwen en te vieren. De voormalige collaborateurs en hun kinderen zouden daar niet bij horen, wat tot op vandaag nog word beweerd. Juist zij zouden de wandaden immers veroorzaakt hebben. De vreugde van de bevolking was daarom onvermijdelijk gekoppeld aan weerzin tegen de ‘fouten’. Er is op de Nederlandse kalender om die reden geen tweede moment te bedenken waarop de uitsluiting van de kinderen van foute ouders zo duidelijk wordt. Die uitsluiting wordt temeer als zeer pijnlijk ervaren omdat degenen die buitengesloten zijn geen grotere wens hebben dan erbij te horen. Symbolisch om die reden en veelzeggend voor de verandering binnen de huidige maatschappij is dat vertegenwoordigers van Stichting Herkenning in 1995 voor het eerst uitgenodigd werden aanwezig te zijn bij de nationale herdenking op de Dam.

De vlag
‘Dat de vlag zo belangrijk voor me was, werd duidelijk toen ik de dag na ons trouwen met mijn man een vlag ging kopen. De juffrouw in de winkel keek ons heel verbaasd aan: wie koopt er nu een vlag in februari? Ze moest naar de zolder om er een uit voorraad te halen. Met het kopen van die vlag maakte ik me los van mijn ouderlijk huis. Met die vlag heb ik geprobeerd mijn uitgestotenheid ongedaan te maken, mijn gevoel een Nederlandse te zijn terug te kopen.’
(Bron: Hanna Visser, Het verleden voorbij, p. 21)

Geen recht op herdenking
‘Als het 4 mei was durfde ze ook amper te herdenken, vertelt ze ineens. Ja, stil thuis voor de televisie zitten, maar op straat kwam ze dan niet. Haar vader was “fout” geweest en omdat zij van hem hield, had ze ook geen recht om de gruweldaden te herdenken.’
(Bron: Dora Theijsmeijer, 67 jaar, in het Dagblad van het Noorden)

Lijn 7
‘Ooit eens zat ik in de tram, lijn 7 in Den Haag, toen op 4 mei om acht uur de bestuurder, in de buurt van de Adriaan Goedkooplaan, de tram stilzette. Het werd doodstil in de tram en na twee minuten zei de bestuurder door de intercom: “dank u wel”. Dat moment heeft me zo ontroerd. Je had ineens de illusie van echte saamhorigheid, wij dachten in die tram waarschijnlijk allemaal heel even aan mensen met wie wij verbonden zijn… In mijn naïviteit betrok ik dat ook op mijn vader. Pas later realiseerde ik me dat er een scheidslijn was die de fouten van de goeden isoleerde, en dat mijn vader – en ik met hem – aan de verkeerde kant van die streep zijn geplaatst.’
(Bron: een zoon in het Bulletin van de Werkgroep Herkenning)


ARCHIEF

ZOEKEN

DutchFrenchGermanEnglish