Een van de grote veel voorkomende problemen van de ‘kinderen van’ is het afgewezen worden. Dat begon al vóór de oorlog. In de meeste gevallen ging dat subtiel, soms bot of buitengewoon grof. Daarmee kregen de kinderen het stokje gewoon overgedragen van de ouders. Koningin Wilhelmina had alle collaborateurs na de oorlog het liefst op een schip gezet en afgevoerd. Dat kon niet. In plaats daarvan werden ze openlijk veroordeeld tot ‘fout’ en niet welkom. Daarna werden deze personen opgespoord en onderzocht, berecht, veroordeeld, gevangen gezet en tot slot buiten de orde geplaatst. De kinderen overkwam in mindere mate hetzelfde. In de jaren ’50 zag het er soms naar uit dat de situatie zou verbeteren. In de jaren ’60 bleek dat daarvan juist geen sprake was. Doordat de oorlog in toenemende mate in het centrum van de belangstelling kwam te staan en het oordeel over de oorlog steeds meer zwart-wit werd, werden allen die tijdens de oorlog aan de verkeerde kant hadden gestaan juist buiten de orde geplaatst. Ook de kinderen van foute ouders ondergingen daarvan de nadelen. Vaak probeerden zij wanhopig iets te doen waardoor zij er toch bij hoorden. Voor hun gevoel lukte het zelden.

Vroeg geleerd
‘De wereld om ons heen werd [al vóór de oorlog] zo mogelijk nog vijandiger en ik voelde me alleen nog maar veilig en geborgen als ik binnen de Jeugdstorm was want ook thuis werd de sfeer, naar het leek evenredig aan die in de buitenwereld, steeds slechter. Ik geloof dat het op een koude winterdag was… dat het afschuwelijkste dat ik me voor de geest kan halen, gebeurde. Ik werd vanachteren aangevallen toen de veerboot afmeerde en voor ik besefte wat er gebeurde, werd ik door vier jongens opgenomen en in het ijskoude water van de Maas gesmeten. Ik kon niet zwemmen, bezwijmde haast van de kou, raakte onder water en wist dat ik aan het verdrinken was. Ik raakte bewusteloos…

Deze gebeurtenis heeft veel invloed op mijn leven gehad en heeft het nog tot op de dag van vandaag. Ik werd wraakzuchtig en nam me voor: “nooit, nooit meer zullen ze zoiets met mij kunnen doen.”’
(Bron: Jan in Inge P. Spruijt, Onder de vleugels van de partij, p. 55-56)

Afgewezen
‘Ik zie me nog in de laan, waar ze woonden, tegen een boom geleund staan, verbijsterd, verloren. Tegenstrijdige gedachten. De ene was zo vlug mogelijk daar weg te komen, de andere om weer aan te bellen en om uitleg te vragen waarom ik als een paria werd behandeld. Maar dat wist ik eigenlijk wel. Ik schreef Jaap [haar verloofde en de zoon degenen die het meisje als een paria behandelden] niet over dit voorval omdat ik hem geen verdriet wilde doen…

Tot half maart [1951] kreeg ik de ene lieve brief na de andere… Toen ineens: “op je correspondentie stel ik geen prijs meer. De relatie tussen ons beschouw ik als geëindigd. Ik heb dingen gehoord die ik niet prettig vind en waarover ik liever niet schrijf.’
(Bron: Duke Blaauwendraad-Doorduijn: Niemandsland, p. 172)

Niet gelukt
‘Nu ik in mijn verwerkingsproces ver gevorderd ben, durf ik onder ogen te zien dat alle pogingen om de breuk te helen – tot nu toe – mislukt zijn. Ik denk ook, dat dit niet meer genezen zal. Het is pijnlijk, maar er valt wel mee te leven. Mensen die zich ook tegenwoordig nog beroepen op de inmiddels berucht geworden woorden van koningin Wilhelmina “dat er na de oorlog voor dat handjevol landverraders geen plaats meer in de maatschappij zou zijn”, mensen die zich daarop beroepen om hun eigen haat en

onverdraagzaamheid niet te hoeven aanpakken, kunnen gerust zijn. Het is misschien niet gelukt om de NSB’ers en hun gezinnen letterlijk… uit de samenleving te bannen…, de uitstoting is op het immateriële vlak grandioos gelukt.’
(Bron: Hanna Visser, Het verleden voorbij, p. 21)

Nooit meer goed
‘In maart ‘45 keerden we terug naar Nederland. Ik was toen zes jaar oud en dacht: “nu gaan we terug naar huis.” Maar dat is het irreële, je gaat nooit meer naar huis. Je zal je speelgoed nooit meer terug zien, in de straat zal je niet meer mogen wonen.’
(Bron: Anoniem kind van fouten ouders, in Het Parool)

Ophoepelen
‘Het was halfvier. Ik ging mijn vrienden zoeken. Eerst naar Daan, die was verhuisd hoorde ik van de nieuwe mensen. Toen naar Jan. Ik belde er aan. Ja, die woonden er nog.
“Waar kom je voor?” vroeg die moeder mij.
“Ik kom voor Jan.”
“Ik wil niet meer hebben dat hij met jou omgaat, begrepen? En hier niet meer aan de deur komen.” (Bron: Rinnes Rijke, Niet de schuld, wel de straf, p. 185)

NSB-kind
‘Wisten de mensen in het dorp dat we kinderen van een NSB’er waren? Nou en of! Mijn zus ging als ruim vijfjarige voor het eerst naar de kleuterschool. Toen ze later thuis kwam, zei ze: “de juf die mij naar mijn eigen juf bracht, zei toen we de klas binnengingen: hier het NSB-kind”.’
(Bron: Hanna Visser, Het verleden voorbij, p. 27)

Andere club, andere sport
‘Buitengesloten, gemeden en gepest, geïsoleerd. Het ging natuurlijk niet op school. En ieder jaar rond de meidagen de verhalen over de oorlog. Wees maar flink, sta erboven was het devies van Barbara’s ouders. Ga maar sporten dat is goed voor je. “Maar de sportclub waarvan ik lid wilde worden, die liet geen kinderen van NSB’ers toe. Dan maar een andere club, andere sport. uiteindelijk moest ik dan toch maar dankbaar zijn.’


ARCHIEF

ZOEKEN

DutchFrenchGermanEnglish