Kies
‘Die nacht had ik hem weer. Het was lang geleden geweest. Het was een oude droom die ik in de loop der jaren vaak had gehad maar vergeten was in de periode dat ik het contact met mijn vader verloor. Hij speelt zich af aan de grachten van Amsterdam. Ik woon ergens in een steeg. Ik lees en luister naar het Requiem van Fauré. Opeens valt het licht uit. De muziek klinkt langzaam uit. Ik pak een kaars. Op het moment dat ik hem wil aansteken, hoor ik schreeuwen in de steeg. Ik doe het gordijn open. De nacht is aardedonker.
Heel Amsterdam zit zonder licht. Er rent een man door de steeg. Hij houdt een jas over het hoofd. Ik zie alleen contouren. Hij schreeuwt nogmaals. Zijn stem stuitert tegen de gevels. Met de kaars in de hand daal ik de trappen af. In de gang trekt de benedenbuurman zijn deur open.

“Ben jij het,” sist hij en slaat de deur met een klap weer dicht. Mijn kaars floept uit. Ik sta in het volslagen duister. Op de tast bereik ik de voordeur. Als ik hem open, zie ik de stad zoals ik hem nog nooit gezien heb. Schuimkoppen rollen op het water van de grachten. Golven slaan over de kade. Er is niemand te zien. Er staan geen auto’s. De bomen waaien als in het open veld. Een tak breekt af en valt op straat. Uit de richting van het station klinken trommels. Zacht, ritmisch geluid. Het lijkt naderbij te komen.

“Au,” hoor ik, “au”. Vlak bij de gevallen tak ligt een mens. Hij kreunt. Ik loop het bordes af en ga in zijn richting. Het is een vrouw, Ze ligt onder een donkere mantel en bloedt.

“Verdwijn,” zegt ze. “Ik wilde je waarschuwen maar ze waren me voor. Verdwijn. Voor mij kun je niets meer doen. Barricadeer de deur…” Ik probeer haar op te tillen maar ze weegt als lood. Het geluid komt naderbij. Trom, trom, trom. Ik hol naar de brug en probeer te zien waar het lawaai vandaan komt. Ik schrik. Het lijkt op een leger. Een onafzienbaar leger.

Ik ren het huis binnen, hol naar boven en vergrendel de deur. Aan de binnenkant barricadeer ik hem met tafels, stoelen, alles wat ik vinden kan. Maar ik ben nog niet klaar of ik hoor ze komen. Ze stormen de trap op en bonken tegen de deur.

“Nee,” roep ik, “laat me met rust.” Ze slaan met geweerkolven tegen het hout. Er springt een gat in. Ik kruip onder het bureau. Daar vinden ze me. Ze slepen me eronder vandaan en plaatsen me op mijn knieën. “Kies,” hoor ik een stem zeggen. En een ander: “kies.”

Ik kijk. Ze hebben geen gezichten. Of beter, ze hebben wel gezichten maar geen uitdrukking. Ze zien er allemaal hetzelfde uit. Houten poppen.

“Kies,” herhaalt de eerste stem. Hij staat voor me. Ik reik tot zijn middel en zie hoe hij een pistool uit de holster haalt.
“Ik kan niet kiezen,” zeg ik.
“Je moet,” zegt hij en plaatst het pistool in mijn nek.
“Ik kan het niet,” roep ik.
Ze tellen in koor. Een, twee, drie…
“Ik kan niet kiezen,” schreeuw ik nogmaals. “Zeg me waarvoor ik moet kiezen? Wat zijn de keuzes. Zeg het dan!”
“Vier, vijf, zes…”
“Zeg me wat de keuzes zijn. Alsjeblieft…”
Buiten hoor ik de trommels. Ze gaan harder en harder en harder.
“Zeven, acht…”
“Help,” schreeuw ik. “Ik kies, ik zal kiezen.”
“Waarvoor?” zegt de stem
“Negen,” telt een ander.

“Ik weet niet wat er te kiezen valt,” huil ik. Tranen lopen over mijn gezicht. Trommels klinken in mijn hoofd. Het pistool boort zich in mijn nek. Harder, alles gaat harder. Het laatste wat ik hoor is die stem. “Je hebt het zelf gewild.”

Dan wordt alles zwart.’
(Bron: Chris van der Heijden in ‘De afstand van appel tot boom’, in: Atlas 5, 1993, p. 42-43, ook in Papa, 1995)

Gekkenhuis
‘Ik droomde dat ik ontsnapte uit een gekkenhuis met mijn moeder aan het hoofd. Het gekkenhuis zag eruit als een kasteel, met torens op alle hoeken, opgesierd met vrolijk wapperende windvanen. Het stond in een groot omheind park, waarin de gekken vrij mochten rondlopen. Op een van mijn wandelingen ontdekte ik in de achtertuin een gat in het prikkeldraad. Snel wurmde me ik erdoorheen, ik kwam uit op een zandpad. Zonder om te kijken rende ik naar de grote weg. Pas bij een station hield ik halt. Wat nu? Geld om een kaartje te kopen had ik niet. Ik had geen tas, geen portemonnee, niks. Uit het niets dook Martin van Amerongen op, die en kaartje voor me kocht. Tijdens de rit verdween hij weer. Toen ik uitstapte op de halte op de Laan van Nieuw-Oost-Indië en achterom keek, zag ik dat het gekkenhuis met al die vrolijke torentjes al die tijd met me was meegereisd.’
(Bron: Hanneke Wijgh, Het Kaïnsteken. Mijn eigen kleine oorlog, p. 153-154)


ARCHIEF

ZOEKEN

DutchFrenchGermanEnglish