De waarde van het archief voor wetenschappelijk onderzoek

De waarde van het archief voor wetenschappelijk onderzoek

Peter Romijn, hoogleraar nieuwe geschiedenis, hoofdonderzoeker bij het NIOD en auteur van ‘Snel, streng en rechtvaardig’ zegt hierover:

“In het politiek-maatschappelijke debat en in de geschiedschrijving voldoet de historische inventarisatie niet meer. Overal is een latente onvrede blijven bestaan over de bestraffing van oorlogscriminaliteit. In Nederlandse termen gezegd:
een 100 % ‘snelle, strenge en rechtvaardige’ berechting blijkt een illusie. Collega Meighuizen kan een boekje opendoen over de enorme problemen bij de berechting van economische collaboratie. Historici en hun publiek willen meer dan een overzichtelijke ordening van de feiten, ze willen weten welke politieke belangen er hebben meegespeeld en wie verantwoordelijk is voor fouten en gebreken. In Nederland zijn er geruchtmakende affaires inzake Weinreb, Menten en Aantjes. Deze leiden tot historisch diepteonderzoek, onder meer in dossiers van de Bijzondere Rechtspleging. De rapportage brengt vervolgens de rijkdom van het archief aan het licht en geeft een aanzet tot nieuw onderzoek en historische herinterpretatie. Zo is de passage in het Menten-rapport over de ‘fase van het kwade geweten’ – die Nederland al snel na de oorlog ten aanzien van de afrekening doormaakte – tot een paradigma in de geschiedschrijving geworden.

Ook in andere landen leiden zulke affaires tot veel kabaal: in de jaren ’90 bijvoorbeeld over grootschalige liquidatie van tegenstanders door het Noorse verzet, justitiële moord in het naoorlogse België, niet vervolgde oorlogsmisdadigers in Oostenrijk of het vermeende falen van politiek en justitie in de zaken Papon en Bousquet in Frankrijk. Steeds vaker roepen overheden historische expertise te hulp om vragen te beantwoorden, die volgen uit de politieke spanning rond bepaalde onderdelen van de afrekening met het oorlogsverleden. Zulk onderzoek kan alleen worden verricht op grond van in principe ongelimiteerde toegang tot de bronnen. Waar onderzoekers met een officiële opdracht werken, ligt het voor de hand dat ze spoedig worden gevolgd door collega’s en door belangstellende burgers. Zelfs in Frankrijk heeft ‘premier ministre’ Lionel Jospin in 1997 de overheidsarchieven over het collaborerende Vichy-regime voor onderzoekers opengesteld. In een aantal landen komt het tot een nieuwe behandeling of een heropening van ‘oude’ strafzaken. De zaak Menten was daarvan een vroeg voorbeeld, Papon meer recent. Sinds de jaren ’70 groeit een publieke ‘obsessie met het oorlogsverleden. We kunnen deze fase zien als ‘de geschiedenis in hoger beroep’.

Tussenbalans
De geschiedschrijving van de afrekening in Nederland en daarbuiten is onderdeel van het maatschappelijk debat. Daarom heeft ze steeds gebalanceerd tussen historische professionaliteit en andere invloeden. De studie van de afrekening heeft sinds 1945 een lange slingerbeweging gemaakt, waarbij doel, methode, object van onderzoek en maatschappelijke rol van de onderzoekers steeds aan verandering onderhevig zijn geweest. De slinger wordt losgelaten als er in de eerste plaats behoefte is aan historische ordening. Deze baseert zich op procesmatige deskundigheid. Zij is optimistisch gestemd in de veronderstelling dat de beschrijving en inventarisatie leiden tot maatschappelijk bruikbare vormen van kennis en begrip. De samenleving neemt hiervan kennis met het respect en distantie die de expertise afdwingt.

Dan daalt de slinger en bereikt ze de fase van de herinterpretatie. Hierin is men sceptisch gestemd over directe bruikbaarheid van de kennis. Het streven is het historisch proces te ontrafelen om controleerbare uitspraken te doen over oorzaak en gevolg. Het gaat niet om de beschrijving maar om een breed ingebedde analyse. De maatschappelijke reactie is veel minder gedistantieerd, maar juist betrokken; zij komt tot uiting in emotioneel geladen discussies. Als de slinger weer omhoog zwaait, bereikt ze de derde fase, de ‘geschiedschrijving in hoger beroep’. Deze is aan uiteenlopende stemmingen onderhevig. Het ziet zich voor uitdagende vragen uit de samenleving gesteld en historici willen of kunnen die niet bij voorbaat uit de weg gaan. De vraag naar ‘waarheidsvinding’ – zoals het bij ons wel heet – is voor ons vak niet probleemloos. Het optimisme uit de eerste fase en de scepsis uit de tweede met betrekking tot het probleemoplossend vermogen van historisch onderzoek voeren beurtelings de boventoon. Object van onderzoek zijn geschade deelbelangen in hun historische context. De benadering is meer die van forensisch diepteonderzoek, zoals ook in accountancy plaats vindt. De maatschappelijke ontvangst draait in de eerste plaats om de vraag of de bevindingen al dan niet aanvaard kunnen worden en niet om meer begrip van de context.

Ik wil tot besluit iets zeggen over de voortgang van de geschiedschrijving. Zoals ik in het begin al opmerkte is er in de laatste jaren onder historici een pleidooi te horen voor een strikte scheiding van maatschappelijke machten en wetenschappelijke disciplines. Als de slinger terugkeert naar de fase van de herinterpretatie, dan gebeurt dat omdat er een duidelijke behoefte is aan analytische verwerking van het onderzoek van het afgelopen decennium.

De eerste aanzetten daartoe zijn al gegeven in een reeks internationaal vergelijkende projecten, die eigenlijk alle ervan uitgaan dat de geschiedenis van de afrekening bestudeerd moet worden binnen de continuïteit van de naoorlogse machtswisselingen. Deze studies draaien om begrippen als ‘politieke instrumentalisering’ van de afrekening, ‘stabilisering van de naoorlogse orde’, ‘the
politics of retribution’, ‘rethinking postwar Europe’ . Het internationaal onderzoek heeft zich tot dusverre sterk op deze context gericht. Ik verwacht dat een volgende onderzoekslijn binnen de herinterpretatie meer sociaal dan politiek georiënteerd zal worden. Ik volg daarin een pleidooi van de Pools-Amerikaanse historicus Jan Gross voor een meer sociale geschiedenis van de oorlog en zijn nasleep. Het onderzoek naar de sociale herkomst, godsdienstige achtergronden, de sekseverschillen, de ervaringen van kinderen met bijzondere jeugdzorg en andere vormen van semi-
hulpverlening staan alle internationaal op de agenda, maar kunnen door een goede toegang tot de archieven sterk worden gestimuleerd. Overigens zal een werkelijk comparatieve studie methodologisch sterker moeten worden onderbouwd dan tot dusverre is gebeurd.

Ook kunnen we afzonderlijke groepen die in de afrekening een rol hebben gespeeld tot object van onderzoek maken. Ik denk natuurlijk aan de vervolgden en hun omgeving, die in het CABR-archief natuurlijk uitermate zichtbaar zijn en waar voor de laatste jaren steeds meer aandacht is ontstaan. Er is de juridische professie in al haar schakeringen: de rechters, aanklagers, advocaten, in de functie van machtsapparaat, van probleemoplosser en middelaar. Ook de politieke recherche, in Nederland gelukkig uitzonderlijk, verdient een gerichte bestudering. Dan kan de vraag worden gesteld naar de slachtoffers van politieke delicten: hoe hebben zij de afrekening ervaren, wat voor rol hebben ze er in gespeeld of niet en hoe zien ze er op terug? En wat weten we van de mensen die terzijde stonden toen het delict werd gepleegd, de toeschouwers, die nadien ook geen actieve bemoeienis hadden met de rechtsgang.

Al deze vragen kunnen worden uitgewerkt tot onderzoeksplannen. Toch is het te verwachten dat de slinger ook verder terugzwaait, naar de historische ordening. De werkzaamheden van de talrijke historische onderzoekscommissies naar roof, restitutie en andere problematische aspecten van de afrekening met het oorlogsverleden naderen hun voltooiing. Het valt ook nauwelijks nog aan te nemen dat er in het buitenland of hier nog nieuwe processen zullen worden gevoerd ter vervolging van oorlogsmisdrijven of misdrijven tegen de menselijkheid. Ik denk dat er inmiddels een grote behoefte aan het ontstaan is naar een nieuwe ronde van inventarisering van kennis en ervaringen, bij voorkeur in internationaal vergelijkend perspectief. Zo blijven zich tal van perspectieven voor nieuw onderzoek aandienen. Het belang van een goede ontsluiting van de bronnen is evident. Het CABR is nu op een centrale plaats bijeengebracht, geïnventariseerd, geconserveerd en onder duidelijke, uniforme voorwaarden te bestuderen. Een onderzoeker in Nederland hoeft geen beroep te doen op goede relaties, hoeft geen particuliere deals te sluiten met archiefbeheerders, of te bedelen om de sleutel van een oude loods en daar in een enorme stapel schimmelend karton te gaan wroeten. Met de overdracht en de ontsluiting van het CABR loopt Nederland voorop. En er is nog veel te onderzoeken”.


ARCHIEF

ZOEKEN

DutchFrenchGermanEnglish