Ervaringen van lotgenoten

Voor de familieleden van degenen die in de dossiers genoemd worden, heeft deze wetenschappelijke waarde echter geen prioriteit. Sinds jaren al dienen mensen een verzoek in om een dossier in te zien. Aanvankelijk ging dit mondjesmaat: het was ongebruikelijk, men moest een uitvoerig verzoek indienen en het was in die tijd voor de meesten een enorme stap om zichzelf tegenover vreemden als (klein-)kind van een NSB’er te manifesteren. De ambtenaren echter bleken neutraal, vriendelijk en zo nodig behulpzaam te zijn.

In de loop der jaren hebben veel van onze lotgenoten het dossier ingezien en ervaren hoe zinvol het was feiten uit hun verleden of dat van hun naaste familie te leren kennen, vooral als de betrokken (groot-)ouders er zelf niet over wilden of konden praten. Feitenkennis bleek voor de verwerking waardevoller te zijn dan ontkennen of angstig fantaseren.

Toen men er bij het ministerie dan ook over begon te denken vijftig jaar na de oorlog de dossiers te vernietigen, is daar mede vanuit Stichting Werkgroep Herkenning heftig tegen geprotesteerd. De dossiers zijn niet alleen als bron van algemeen historisch onderzoek belangrijk maar ook voor feitenkennis van de kinderen en kleinkinderen van collaborateurs. Mede als gevolg van de protesten bestaat het archief nog steeds, weliswaar bij een andere Rijksdienst, maar toegankelijk onder dezelfde voorwaarden als voorheen om de privacy te beschermen.

Vlak voor de overdracht van het archief CABR aan het Nationale Archief heeft Het Bulletin van Stichting Werkgroep Herkenning een oproep gedaan aan lezers om over hun ervaringen met inzage in de dossiers te vertellen: daarop zijn toen zeven reacties binnengekomen. Zij worden hieronder in het kort weergegeven.

De eerste brief was anoniem; de briefschrijver of -schrijfster vertelt inzage gehad te hebben, maar niets over wat dat bij hem of haar teweegbracht. De overheersende toon is er een van angst dat openbaarheid voor historisch onderzoek straks toch weer gebruikt gaat worden om hem of haar zwart te maken. Een citaat uit de brief: ‘Het is voor mij een onverdraaglijk gegeven dat in deze gegevens publiekelijk inzicht zal worden gegeven – de wetenschap ten spijt. Ik heb persoonlijk meer dan genoeg geleden en ‘n zeer zware tol (nog steeds) betaald om iets waar ik totaal geen debet aan had. Nu hangt dit verschrikkelijke doembeeld weer boven mijn hoofd’; de brief eindigt met de woorden: Homo est homini lupus, de ene mens is een wolf voor de andere’.

Een tweede briefschrijver meldt hoe hij op basis van inconsistenties in de verhalen van zijn moeder het dossier van de vader wilde inzien, een reeds lang voor de oorlog in Nederland wonende Oostenrijker. Hij vertelt veel over wat hij – geboren 1936 – als kind meemaakte nadat de moeder op aanraden van de vader in 1943 naar Oostenrijk was gegaan: ‘Het gebied waar wij woonden was zwaar oorlogsgebied. Russen, Duitsers en Engelsen hebben daar drie maanden landjepik gedaan. Daarna heeft mijn moeder het bestaan haar drie Duits sprekende kinderen en mij in Lederhose bij de familie te dumpen’. En hij besluit zijn brief aldus: ‘Ik ben een moeilijk mens blijkbaar, maar het zien van dat dossier heeft heel verhelderend gewerkt. Eigenlijk moet ik het nogmaals gaan lezen’. Uit deze reactie blijkt hoe inzage een belangrijke functie had bij het zich losmaken van de leugens en de mystificaties van een ouder – wat een belangrijke stap is voor ieder kind om na een traumatische ervaring bij zichzelf te komen en eigen keuzes te leren maken.

Een derde reactie geeft inzicht in de dilemma’s en angsten waarmee de stap naar inzage van zo’n dossier omgeven kan zijn. Ook hier spelen de familieverhoudingen een grote rol. ‘Mijn vader, zo wist ik allang, was een uitstekende regisseur en manipulatie van mensen en situaties was zijn tweede natuur. Zijn verhaal klopte wel en klopte niet met mijn ervaringen en herinneringen. Hij sjoemelde met data, veranderde ze als ik er een conclusie aan verbond die het beeld van de “brood-NSB-er” in gevaar bracht‘. Uiteindelijk besloot de schrijver het dossier van zijn overleden moeder in te zien en aan een gespreksgroep met lotgenoten deel te nemen. Alles was klaar, toestemming, datum voor afspraak gereed, maar, zo schrijft hij: ‘Toen bleek hoe groot mijn woede was… de onrust werd te groot…ik werd een plaag voor mijn omgeving. Uiteindelijk werd ik zo bang en woedend tegelijk dat ik besloot te stoppen met de gespreksgroep en ook de afspraak voor inzage in mijn moeders dossier af te zeggen‘. En hij eindigt: ‘Ik zal wachten tot mijn vaders dood. Dan zal ik weer proberen in het verleden te kijken. Te zien of mijn gevoel van “het klopt nog steeds niet” juist is, of dat ik me toch vergist heb’.

De volgende briefschrijfster is tevreden over de bejegening op het Ministerie. Het doornemen van het dossier van haar vader kostte een hele dag en zij schrijft: ‘Bij vertrek voelde ik mij aangeslagen maar er werd een praatje gemaakt en dat maakte me rustig. Het is net als bij de uitslag van het ziekenhuis: laat iemand je opvangen. Eigenlijk ging ik blijmoedig en opgelucht naar huis: toch voldaan dat ik het gedaan had, met de bevestiging van vele veronderstellingen en gissingen betreffende m’n vaders oorlogsverleden’. Deze vrouw eindigt haar brief aldus: ‘En dan nog mijn laatste schreeuw: Mijn vader was niet “fout”. Maar hoe is het mogelijk dat iemand zo z’n ideaal vasthoudt en blind is voor alles wat er verder om hem heen gebeurt! Wat een ellende, wat een verdriet en pijn, maar….ik heb het gevoel dat ik iets van mijn pijn kwijt ben. En pas nu na 62 jaar ben ik erachter waarom ik mij anders voel dan anderen’. Hier fungeerde inzage in het dossier duidelijk als sluitstuk van het innerlijk en familiaire proces en vormt het de overgang naar de soort vragen: inderdaad hoe kunnen mensen zo blind zijn voor wat er om hen heen gebeurt…?

Een volgende briefschrijfster vertelt een soortgelijke ervaring begin dit jaar toen zij de dossiers van haar ouders inzag: ‘Hoewel ik het in eerste instantie heel pijnlijk vond heeft het een gunstige uitwerking op mij gehad en heeft het er toe bijgedragen, dat ik langzamerhand het verleden kan accepteren zoals het is, een kind van foute ouders’. Inzicht in alle feiten en omstandigheden betekent dat zij meer begrip kan opbrengen voor de manier waarop haar ouders hun leven hebben voortgezet nadat haar vader uit het kamp gekomen was. Zij besluit haar brief: ‘Dank zij het lezen van de dossiers heb ik geleerd dat zwijgen een slechte zaak is, die relaties kapot kan maken’.

De laatste reactie beschrijft het langjarige proces van voorwerk om eindelijk de stap te wagen het dossier van de begin vijftiger jaren overleden vader in te zien. Vader had als NSB-lid 4 jaar in de kampen Amersfoort en Vught gezeten, de kinderen – zes in getal – verbleven 5 jaar in internaten tot het gezin in 1950 werd herenigd. Het dilemma dat haar lange tijd weerhield was enerzijds: ‘Wil en kan ik mijn geïdealiseerde vaderbeeld opgeven…als hij bijvoorbeeld afgebroken mensenlevens op zijn geweten zou hebben?’ en anderzijds: ‘Wil en kan ik met mijn boosheid en woede omgaan, als hij een “brood NSB-ertje” is geweest? Want daar ging ik altijd van uit! Waarom heeft de maatschappij hem en ons allemaal al dat leed aangedaan? Was zo’n zware straf evenredig aan zijn daden? Het heeft hem ook zijn leven gekost op 48-jarige leeftijd’. Pas in 1995 was het zover en hoewel het een emotionele en verwarde dag was kon hij positief worden afgesloten. Met negen korte statements markeert deze briefschrijfster de effecten van inzage in “het dossier”:

  • Rust in mijn gemoedstoestand
  • Een gevoel van bevrijding
  • Afsluiting van een verwerkingsperiode
  • Voorzover er nog mogelijkheden waren om mijn kennis en inzicht over deze periode te vergroten zijn deze nu gerealiseerd
  • Inzage gaf mij een goed gevoel over het voorwerk dat ik had gedaan: inzage gaf geen verwarring meer; de consequenties waren meer bevrijdend dan belastend
  • Mijn dilemma is uitgewerkt en dus verleden tijd geworden
  • Opluchting: weten is altijd beter dan blijven fantaseren, veronderstellen en hopen
  • Mijn realiteitszin m.b.t. de oorlog en de plaats van mijn vader daarin is vergroot
  • De ontbrekende stukjes in de legpuzzel zijn aangevuld én ingekleurd. Het leven van mijn vader is voor mij completer geworden en dat had ik nodig. Inzage heeft dus mijn leven verrijkt.


ARCHIEF

ZOEKEN

DutchFrenchGermanEnglish