De vader en de moeder staan in de verhalen van de kinderen van foute ouders vanzelfsprekend centraal. Daarbij is de vader in de meeste gevallen de actieve, de moeder de meer passieve figuur. Althans politiek gezien. Hoewel we niet weten hoe het aantal ‘foute’ vaders zich verhoudt tot het aantal moeders, weten we wel dat er in de naoorlogse kampen ongeveer drie keer zoveel mannen als vrouwen gezeten hebben. Het is misschien daarom dat het moeilijk is je aan de indruk onttrekken dat de vader in de verhalen meer de rol van boosdoener speelt dan de moeder. Laatstgenoemde bleef vaker thuis, koesterde het verdriet en probeerde de eindjes aan elkaar te knopen terwijl de vader weg was – aan het front, in de gevangenis, op zoek naar een nieuw leven. Toch balanceren en schipperen verreweg de meeste kinderen op het moment dat zij over de vader een concreet oordeel moeten uitspreken en zijn houdingen als ‘onvoorwaardelijke verwerping’ of ‘onvoorwaardelijke aanvaarding’ in Nederland uiterst zeldzaam. Gebruikelijk is dat zij een andere houding aannemen en de vader ‘bekritiseren’ in zinnetjes als: ‘politiek mag hij fout zijn geweest maar hij was wel mijn vader’

De overgave
‘Na de oorlog’
heeft voor mijn vader lang geduurd
het was blessuretijd
en daarmee een strijd van een man
tegen zijn schaduw
Als mijn vader auto reed
Door de stad liep
In zijn bed lag
Of op kantoor zat
Was er altijd dreiging
Die kwam van binnen
Ik zag niemand om de hoek
Op de gang
Of onder het bed
Tot op het laatst
Zijn infarct was een voltreffer
Het zenuwcentrum was vrijwel meteen uitgeschakeld
Aan zijn bed zag ik hoe vijandige soldaten
Zich meester van zijn lichaam maakten
Ze vochten zich door het bloed, de organen en het vlees
Mijn vaders ledematen trilden en verkrampten
Onder het genadeloze geweld
Waarmee het lichaam werd geveld
Hij was sterk maar kansloos
Zijn adem stokte bij elke inslag
Zijn ogen draaiden panisch in het rond
Ze rukten op van alle kanten
Zijn bed was het front
Aan zijn mond zag ik
Dat hij het prettig vond
Het was nu bijna afgelopen
Toen hoorde ik uit het niets
Op de stoel naast het bed
Het geluid van mijn moeder
Die koffie voor de dokter zet
Een hond die blaft
Mijn zus bij de achterdeur
Die boodschappen heeft gedaan
De auto van de buren
Die naar hun werk toe gaan
Zinloos geluid markeert een nieuw gat
Iets is voorbij maar ik weet nog niet wat.
(Rinke Smedinga)

Veroordeeld
‘Op 26 januari 1948 werd papa uiteindelijk na een lange interneringsperiode veroordeeld tot tien jaar gevangenisstraf. Dit feit werd in mijn klas openlijk besproken en uiteindelijk zelfs gevierd met het zingen van het Wilhelmus. Ik moest van de leerkracht gaan staan en luid meezingen. Ik zong niet mee, ik stond alleen. Ik huilde niet maar het voelde ijzig koud.’ (Bron: A.P.S.H. van Dulst in: Historische Reeks Land van Heusden en Altena dl. 10 (Nieuwendijk 1999), p. 228)

Mensenschuw
‘Mijn ouders komen niet veel op straat. Ze zijn een beetje mensenschuw geworden. Ze gaan alleen als het donker is de straat op. Overdag plakt mijn vader duizenden oude kranten onder de dakbedekking. Het dak hebben we nooit goed kunnen herstellen met onze beperkte middelen. Tot vlak voor zijn dood zal mijn vader altijd kranten plakken. Als hij plakt, staat er vaak een fles jenever binnen handbereik. ’s Nachts schreeuwt mijn vader soms als een mens in doodsnood. Hij baadt dan in het zweet. Hij droomt van de oorlog en de krijgsgevangenschap. Hij vertelt iets over een dode soldaat… Mijn vader loopt in lompen. Een Russische soldaat beveelt mijn vader de broek en de laarzen van het lijk uit te trekken.’
(Bron: P. Berserk, De Tweede Generatie, p. 103).

Naïef
‘Met mijn vader praat ik bijna niet over de oorlogsperiode. Ik heb ‘m wel eens gevraagd of hij het in de oorlog ook leuk heeft gehad. Dat maakt het voor mij begrijpelijker. Dan glinsteren zijn ogen en komen de verhalen. Dan zit daar niet iemand die “fout” was in de oorlog, maar een kwajongen. Een naïeve man. Het lukt me niet mijn vader als een slecht mens te zien.’
(Bron: Heleen, 42 jaar, in De Volkskrant)

Een goede vader
‘In de nacht zit ik alleen bij hem. In huis het onderdrukte wachten op de komst van de dood. Ik houd vader nauwlettend in het oog. Zo alleen met hem zou zijn doodgaan helemaal voor mij kunnen zijn. Het lijkt wel of wat daar ligt mij niet meer aangaat. Ik verbaas me over mezelf. Over mijn koelbloedigheid. Dat ik niets meer voor hem voel.

Hij murmelt wat. Hij zegt iets. Ik kan hem niet verstaan. Ik buig me naar hem toe. Ik pak zijn hand.

“Je bent en goede vader,” zeg ik, en alsof ik mezelf niet kan overtuigen zeg ik het nog eens en nog eens: “je bent een goede vader.”

Hij opent zijn ogen. Hij staart me aan of hij vreselijk van me schrikt. Alsof hij heel erg bang voor me is. Hij komt even overeind, rukt zijn hand los en slaat me in mijn gezicht.’
(Bron: Jean-Paul Franssens, Een goede vader, p. 167)

This is your father
‘One day – I was then ten years old – a destitute, unshaven, haggard, and ugly man stood before our door. I was uncomfortable and frightened and called my mother. My mother came and told me, “this is your father”.’
(Bron: geciteerd in Helm Stierlin: ‘The Parent’s Nazi Past and the Dialogue Between the Generations’, in: Family Process 20 nr. 4, december 1981, p. 382)

Op zoek naar je weet-niet-wat
‘Tot ik die brieven onder ogen kreeg, was mijn vader niet meer dan een foto op het dressoir, een schim die misschien nog zou terugkeren. Mijn moeder heeft nooit kunnen accepteren dat hij dood was. Ze heeft anderhalf jaar gewacht voor ze me liet dopen. Zelfs na die brief van het Rode Kruis wilde ze het niet geloven. Ze heeft me nooit iets over die verklaring verteld. Zelfs toen ze naar het verzorgingstehuis ging, vroeg ze Marga wat ze moest doen als Piet plots voor haar neus zou staan. Voor het slapen gaan, moest ik bidden: ‘Onze Lieve Heer, geeft U als ‘t U belieft Michiel zijn pappie weer’. En als ik nieuwe schoenen kreeg, moest ik mijn vader bedanken.

Wat ik over hem gehoord had, was dat het een blonde, vrolijke vent was, die goed kon zingen en pianospelen. Door die brieven is hij voor mij gaan leven, heb ik hem beter leren kennen. Hij is een mens geworden van vlees en bloed. Ik weet dat ik gewenst was, dat hij van me hield nog voor ik bestond.”

“Dat hij een foute keuze gemaakt heeft, heb ik geaccepteerd. Hij was politiek niet onderlegd. Hij is niet bij de Duitsers gegaan omdat hij voor het systeem koos, maar omdat hij geld wilde verdienen voor een gezin. Ik begrijp alleen niet dat hij niet eerder gevlucht is. Ik zou er tussenuit geknepen zijn. Dan denk ik, ‘Jezus, man, was eerder weggelopen’. Maar hij is gewoon bang geweest voor represailles. Voor hemzelf, maar ook voor zijn vrouw en familie.

Ik veroordeel mijn vader niet, ik vind alleen dat hij een stomme beslissing genomen heeft. Het is jammer dat het zo gelopen is. In die brieven heb ik hem leren kennen als een aardige man. Als hij niet door de wereldhistorie was gegrepen, als er geen oorlog was geweest, had ik een aardige vader gehad.”

Na de vondst van de brieven wil Michiel meer weten over zijn vader. Hij bezoekt de oom die samen met Piet in Rusland is geweest, maar daar nooit over verteld heeft. Hij schrijft naar het Rode Kruis, speurt zelfs een partizaan op die getuige was van het vuurgevecht waarbij zijn vader dodelijk werd getroffen achter het stuur van zijn vrachtwagen.

Uiteindelijk besluit hij naar Kroatië, naar Prijeboj te gaan. Dat is net voordat dit gebied getroffen wordt door een nieuwe volkerenmoord. Hij ontmoet de partizaan Duje Suput, vermoedelijk de laatste mens die zijn vader gezien heeft. Een graf is er niet, maar Suput kan wel de plek aanwijzen waar Piet sneuvelde.’
(Bron: Artikel in De Gelderlander)


ARCHIEF

ZOEKEN

DutchFrenchGermanEnglish