Misstand Cellenbarakken Scheveningen

  • -

Misstand Cellenbarakken Scheveningen

WAARSCHUWING!
Onderstaand kan als schokkend worden ervaren.

Citaat ontleent uit het boek:

KAMPTOESTANDEN 1944 – ’45 – ‘48 – Rapport Dr. Van der Vaart Smit, Prof. MR. G.M.G.H. Russel
N.V. Uitgeverij Keizerskroon- Haarlem

“Scheveningen. De spion Chr. Lindeman (King Kong) werd 18 juli 1946 in de cellenbarakken te Scheveningen (ziekenzaal) na eerst met luminal en arsenicum vergiftigd te zijn, door een viertal mensen in zijn ziekbed zodanig geranseld dat hij op 20 juli d.a.v. overleed. Er was toen letterlijk van hem geen been meer heel. Zulke moorden zijn er bij tientallen gepleegd, overal. In vuiligheid werd de strafgevangenis te Scheveningen het meest berucht. Hier moest men ’s morgens met de beerton in galop de trap af en de hof in. Wie achteraan liep kreeg bij deze drijfjacht een regen van gummistokslagen te verduren. Rost van Tonningen, die hier zat en wie men opzettelijk te kleine schoenen gegeven had, zodat hij niet vlug genoeg wegkomen kon, kreeg hiervan steeds de hoofdportie. Op de hif moest men, alvorens de ton te mogen legen, met deze marcheren, oefeningen maken, snel opstaan, snel gaan liggen enzovoort, waarbij het er op toegelegd werd, dat er uit de tonnen gemorst werd of dat deze omvielen. Dir gebeurde natuurlijk steeds. Dan moeste de ongelukkigen het vuil met de handen bijeen graaien en weer in de tonnen werken. De atleet Tinus Osendarp werd hier ondersteboven met het hoofd in een volle ton gestopt, hetzelfde geschiedde met Harry Hoek, Peelen en anderen. Een ander die flauw viel, kreeg de inhoud van een volle ton om bij te komen in het gezicht. Van iemand wiens glazen oog bij deze oefeningen uitviel, werd het door een bewaker met opzet stukgetrapt. Na terugkomst van de met vuil toegetakelde gevangenen in hun cel ontbrak hier natuurlijk water om zich te ontreinigen. Dit werd door de bewakers, die thans met wellust de gevangenen hun ‘ontbijt’ toewierpen, niet gewenst. In deze gevangenis werd vooral ’s avonds en ’s nachts op een verschrikkelijke manier huis gehouden en beestachtig geslagen. De bewakers, die dan meiden uit de stad voor tijdpassering, bij zich hadden, richtten bacchanaliën aan bij welke gevangene de objecten waren. Zo werd eens op het ‘centraal’ beneden in deze gevangenis met krijt op de vloer een groot hakenkruis getekend, dat daarna door het halfdronken gezelschap volgebraakt en volgespuwd werd. Toen moesten de gevangenen onder een regen van slagen met hun tong alles weer geheel schoonmaken. Een ander maal werd door de bewaker met hun meiden een groot aantal gevangenen naakt uit hun cel gehaald, waarbij de meiden de mensen een touw aan hun mannelijk lid bonden en ze zo in triomf met zich meevoerden naar beneden om daar op niet nader te noemen wijze hun slachtoffers verder te bespotten en te mishandelen. Een der gedetineerden werd hierbij volslagen krankzinnig. Het kwam voor, dat zulk een bacchanaal met zingen van de avondzang: ‘k wil u God, mijn dank betalen, besloten werd. Een ander maal veroordeelde men een van de slachtoffers ter dood, dwong hem om zijn testament te maken, liet hem door een bokser uit het gezelschap in elkaar te rammen en zette hem toen voor schietschijf tegen de muur. De stenguns werden leeggeschoten, doch alle kogels misten. Het was blijkbaar slechts spel. De heer Thomason werd bij dergelijke gelegenheden meermalen opgehangen en daarbij vreselijk mishandeld. Ten slotte hij zichzelf op. Zo althans is de officiële lezing. Dat Rost van Tonningen, die bij dit alles het voornaamste mikpunt was en bij geen enkele vernedering werd overgeslagen – naakt uitkleden, liedjes zingen slaag, vuiligheid enzovoort – dit niet uithouden kon, zal niemand verwonderen. Op 6 juni 1945 ’s morgens, toen hij weer nan een vreselijke nacht naar buiten werd gedreven om met zijn ton bevuilt te worden, en de gummistokken voor hem reeds klaar werden gehouden, klom hij plotseling op de leuning van de eerste verdieping waar zijn cel gelegen was en sprong met het hoofd omlaag naar beneden … dood. Dit werd gezien door F. Nuyen, Noordebeekdwarsstraat 165, Den Haag, Damhof, Marcel Wolf, Van der Vaart, Brandse, Viëtor, Poot, Haakman en anderen, die twee meter achter hem liepen. Het was zelfmoord, ja, maar toch eigenlijk ook niet. Hier treffen we onder werkobjecten het opgraven van lijken. De bewoners van de Celllenbarakken moesten dit met de handen zonder enig werktuig doen. En alsof dit op zichzelf niet erg genoeg was, dwong men gedetineerden voor straf om zich gedurende lange tijd bij een halfvergane lijk in de kuil neer te leggen, of prikte de bajonet in de lijken en daarna in de levende mensen ten einde op deze wijze de ongeneeslijke lijkvergiftiging over te brengen. Hieraan viel onder andere de Nederlandse politiekapitein Bergerfurt ten offer. De Cellenbarakken zijn niet weinig berucht. Bij het slaan werd hier een zekere regelmaat toegepast, namelijk steeds vijfentwintig stokslagen tegelijk, van welke een vast getal steeds op het hoofd en dit op vaste tijden ’s daags. Voor sommige drie- of viermaal per dag. Hiermede werden onder anderen de heren Storm en Haak, Schenkweg 12, Den Haag. Toen de heer Storm ten slotte in het ziekenhuis aan de Zuidwal te Den Haag belandde, vroeg men hem daar met het oog op zijn littekens en wonden of hij in de hel van Dachau gezeten had. Het antwoord moest luiden: n Neen, in de Cellenbarakken’. Het ergste werd hier mishandeld en geslagen door de bewakers AG en Al. Kentekenend voor de in deze inrichting heersende toestanden is bijvoorbeeld de bewaker AG. Een gedetineerde, de heer Van der Pol, een trechter in de keel wrong en hier zo lang vloeistof doorgoot totdat de man gestikt was. De bewaker werd hierbij geholpen door een andere bewaker AE. Een ander slachtoffer was de heer Van Oosten uit Loosduinen, vader van negen kinderen. Toen mr. Van Genechten begin december 1945 zich hier van kant maakte. Vond de gedetineerde hulpverpleger De Ruiter bij het wegbrengen van het lijk van Van Genechten in het lijkenhuisje het vergeten lijk va de heer Van Oosten. Deze was te voren in de strafcel gebracht en toen ‘verdwenen’.”


ARCHIEF

ZOEKEN